H4 · sectie 1
Betalingen en inningen
Wat er gebeurt op de balans als er geld de zaak in of uit gaat.
1. Geld komt binnen, geld gaat buiten
Financiële verrichtingen gaan over geldverkeer. Een klant betaalt zijn factuur, jij betaalt een leverancier, de bank schrijft intrest af, een lening wordt gestort op de rekening. In de boekhouding raken die verrichtingen vooral klasse 5 (liquide middelen: bank en kas) en klasse 4 (vorderingen en schulden op korte termijn).
2. Een klant betaalt zijn factuur
Wanneer een klant zijn openstaande factuur betaalt via de bank gebeurt er dit:
- De bankrekening stijgt (actief, klasse 5).
- De handelsvordering daalt met evenveel (actief, klasse 4).
Merk op dat het totaal van de balans hierdoor niet wijzigt. Er gebeurt enkel een verschuiving binnen het actief: van vordering naar bank.
3. Je betaalt een leverancier
Wanneer jij een aankoopfactuur betaalt via de bank:
- De bankrekening daalt (actief).
- De schuld aan de leverancier daalt (passief).
Hier daalt zowel het actief als het passief met hetzelfde bedrag. De balans blijft in evenwicht en wordt kleiner.
4. Voorbeeld: een lening op lange termijn opnemen
Een autohandelaar in Diest, Garage De Wit, sluit een lening af bij KBC voor 30 000 euro op 5 jaar voor de aankoop van een takelwagen. De bank stort het geld op de bankrekening van de garage.
- De bankrekening stijgt met 30 000 euro (actief).
- De schuld op lange termijn stijgt met 30 000 euro (passief, klasse 17).
5. Oefeningen
Welke rekening stijgt, welke daalt?
Een onderneming ontvangt 1 200 euro van een klant op haar bankrekening, ter betaling van een openstaande verkoopfactuur. Wat gebeurt er?
Sleep deze items naar de juiste kant